Veewagen 1945

Hoe kwam ik weer in mijn dijen te staan?
Ik stond vastgeschroefd op mijn tenen.
Er drong een juffrouw tegen mij aan.
Het heeft bijna liefde geschenen.
Ik was er misschien nog op in gegaan,
doch mijn buik brak boven mijn benen.

Een mijnheer zei tot een vreemde mijnheer:
mag ik u eventjes plagen.
En hij nam twee centimeter meer,
ten koste van de hele wagen.

Dat duurde drie dagen. De geest hing neer
in rafels, die rafels kregen.
Ik ging middendoor, maar het deed geen zeer,
want de anderen hielden het tegen.

Ik keek tussen kragen en achter in ogen
en zag het leven aan vel en vernis,
Wij voelden ons in elkander bedrogen
tot op het canvas, geen vlees en geen vis,
maar borende botten en ellebogen,
een massa, waarin de mens een logen
en stuk voor stuk ongelukkig is.
En de wielen joegen over de rails…

Naar Ressen-Bemmel, naar Ressen-Bemmel.
Als je m’n vader ziet, vertel hem:
ik ben naar Ressen-Bemmel geweest.

Van Ressen-Bemmel naar Kostverloren.
Wij konden de conducteur niet horen.
De machinist was te ver naar voren.
Wij hebben hem onderweg verloren.
God hebbe zijn ziel in Hellendoorn.
God hebbe zijn geest in Endegeest.

Van Ressen-Bemmel naar Bergen-Belzen.
Zou je m’n zuster willen omhelzen
Ga heimelijk naar mijn huis en meld ze:
in Bergen-Belzen wacht ons het beest.

~ Gerrit Achterberg

 

3 gedachten over “Veewagen 1945, een gedicht van Gerrit Achterberg

  • K.Z. Laurier

    Schrijnend dit gedicht, dat het ongelooflijke, verschrikkelijke van deze rit naar de vernietigingskampen verwoord.

  • T. van der Sluis

    Een aangrijpend gedicht wat vast en zeker speelde in de oorlog toen mensen werden weggevoerd als veevervoer.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*