[Portret: Martha Nussbaum uit Vrij Nederland, door Carel Peeters]

De montere filosofe met strenge eisen richt zich op een nieuw onderwerp: het politieke gebruik van de angst voor ‘de’ islam.

Als middelbare scholier en student schreef de Ameri­kaanse filosofe Martha Nussbaum onder andere een lang toneelstuk over Robespierre, de man die de Franse Revolutie in diskrediet bracht door er een schrikbewind van te maken.
Eerder had ze werkstukken geschreven over de komedieschrijver Aristophanes, over de Elizabethaanse toneelschrijver Ben Jonson en over Dostojevski. Maar Robespierre stond het dichtst bij haar. Ze had onbevangen sympathie voor zijn ascetisme en voor zijn ‘uncorruptible idealism’. Maar ze werd ook geconfronteerd met de horreur die hij veroorzaakte met zijn idealisme. Centraal in het stuk stond de beslissing die Robespierre nam over het lot van zijn vrienden Camille Desmoulins en zijn vrouw. Hij stuurde ze naar het schavot en liet hun hoofden afhakken omdat ze de zaak van de revolutie niet helemaal naar zijn zin hadden gediend. De revolutie ging vóór alles, ook voor de vriendschap.

Het leverde Nussbaum de eerste kennismaking op met een verkeerd uitpakkend politiek en moreel dilemma. Het plantte in haar een groot wantrouwen ten aanzien van te goede bedoelingen en radicale revolutionaire bewegingen. Robespierre hield te veel van de mensheid en te weinig van de individuele mens, zelfs als het om zijn vrienden ging. Een abstract politiek idee nam zo bezit van hem dat de afzonderlijke mensen erachter verdwenen.

Je zou denken dat Nussbaum het daarna wel gehad had met de liefde voor de mensheid en eenduidig voor de afzonderlijke mensen koos. Maar dat gebeurde niet. Wel bouwde ze haar belangstelling voor literatuur uit. Ze vond dat de filosofie te ver van het leven af stond. De literatuur, en speciaal de roman, kon die band met het leven terugbrengen. Romans gaan over individuen met hun problemen, dilemma’s, standpunten en de finesses van hun geest. Bovendien zorgt de vorm voor een bijzondere esthetische ervaring. Nussbaum is het met Marcel Proust eens als die zijn verteller laat zeggen dat bepaalde waarheden over de mens alleen in literaire vorm over te brengen zijn. Geen andere kunstvorm kan emoties zo dichtbij brengen.
Het gaat Nussbaum om fundamentele sociale rechtvaardigheid
‘Fatsoenlijke samenleving’

Nussbaum houdt misschien niet van alle mensen, maar wel van veel, en haar blik is allerminst op zichzelf gericht. Ze schrijft geen boek met de titel Cultivating the Self, ze schrijft Cultivating Humanity. Het lukt Nussbaum om breeduit kosmopoliet te zijn, en tegelijk is haar hele filosofie gericht op het tot ontplooiing laten komen van elk afzonderlijk mens. Elk mens moet volgens haar gezien worden als een uniek wezen. Er moet zo min mogelijk in soorten, categorieën of groepen worden gedacht. Dat is de Kantiaanse gedachte (elk mens is een doel in zichzelf) achter het alternatieve model dat ze samen met de Indiase filosoof en econoom Amartya Sen bedacht om de stand van de menselijke ontwikkeling te bepalen. Er moest niet meer gekeken worden naar het BNP (Bruto Nationaal Product), zoals sinds mensenheugenis werd gedaan, maar naar de stand van elementaire voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg, hygiëne, vrijheid, sociale banden, je mening kunnen uiten. Die geven het niveau en de kwaliteit van ontwikkeling aan.

Deze ‘capability-benadering’ is niet bedoeld voor landen in West-Europa, waar deze elementaire voorzieningen al zijn, maar voor het bepalen van levenskwaliteit in landen in ontwikkeling is het een uitermate praktische lijst van criteria. Het gaat Nussbaum om fundamentele sociale rechtvaardigheid. De doelstellingen van het klassieke liberalisme voldoen haar daarbij niet. Voor het klassieke liberalisme is het al genoeg dat mensen vrij worden gelaten zodat ze zelf kunnen zien wat ze van hun leven maken. Volgens Nussbaum moet de overheid juist actief bevorderen dat elk persoon zijn vermogens benut. Nussbaum ziet dat als de taak van een ‘fatsoenlijke samenleving’. Het doel is de ‘zelfbepaling van mensen’, maar ze moeten wel een duwtje krijgen.

Wild opspelende passies

Nussbaum is zo gespitst op sociale rechtvaardigheid en menselijke zelfstandigheid, omdat ze een bepaald mensbeeld heeft dat dit wenselijk maakt. Nussbaum is een montere filosoof, maar in haar eerste grote boek De breekbaarheid van het goede (1986, over geluk en ethiek in de Griekse tragedie en filosofie) wordt een gewichtige rol toegekend aan het ‘oncontroleerbare noodlot’ waarmee mensen te maken krijgen. De mens kan nog zo denken dat hij zichzelf in de hand heeft, er speelt zich buiten hem zo veel af dat zijn leven beïnvloedt, dat het leven voor Nussbaum gelijk staat aan breekbaar zijn. Ook van hun innerlijk kunnen mensen niet erg op aan, afhankelijk als ze zijn van stemmingen, humeuren en emoties.

Nussbaum accepteert dat het echte leven alleen geleefd kan worden met een flinke hoeveelheid onvolkomenheden
Gezien haar visie op de gebrekkige controle die mensen over hun leven hebben, is het niet verbazingwekkend dat Nussbaum erg vertrouwd is met de Griekse tragedieschrijvers Euripides, Aeschy­lus en Sophocles. Zij laten de tragische staat van mensen zien in hoogoplopende conflicten, tegenstrijdige loyaliteiten en wild opspelende passies. En dat is nog steeds de dagelijkse realiteit. Nussbaum onleent haar monterheid aan de gedachte dat mensen ondanks hun tragische conditie, beperktheid en breekbaarheid toch nog tot zoveel in staat zijn. Ze zijn even behoeftig als vindingrijk, maar met hun vierkante centimeter aan vrije ruimte creëren ze in haar ogen toch werelden van vernuft, vriendschap en schoonheid.

Nussbaums mensbeeld is tragisch, en ze is er niet op uit die tragiek ten koste van alles weg te werken. Ze accepteert dat het echte leven alleen geleefd kan worden met een flinke hoeveelheid onvolkomenheden, tragische gebeurtenissen en conflicten. Dat betekent dat ze zich beter thuis voelt bij Aristoteles dan bij Plato. Plato was een wegbereider van de dictatuur, van strenge wetten en voorschriften zodat mensen zo min mogelijk zelf hoefden te denken – dat deed hun filosoof-koning wel voor ze. Hij bepaalde welke waarden gerespecteerd dienden te worden, zodat er geen conflicten over konden ontstaan. Aristoteles accepteerde dat mensen er verschillende ideeën en waarden op na konden houden. Aristoteles was een pluralist, Plato een monist: hij wilde dat alles eenduidig was. Plato wilde het goede zonder de breekbaarheid, ‘goodness without fragility’.

Niet altijd betrouwbaar

De laatste grote filosoof die zich op een inspirerende manier over emoties heeft uitgelaten was Nietzsche. Door de Dionysus in hem de ruimte te geven en daar met Apollinische flair over te schrijven bracht Nietzsche de emoties en passies terug in de filosofie, zonder dat hij daar sentimenteel of romantisch voor hoefde te worden. Emoties werden bij hem volwassen aandoeningen die ver af stonden van de gevoelens en emoties van dwepers.

Emoties doen zich voor door iets van buiten waar men geen controle over heeft. Men is er aan overgeleverd.
Nietzsche duikt regelmatig op in het prachtige boek waarin Nussbaum goed honderd jaar later de intelligentie van emoties aantoonde: Oplevingen van het denken (2001). Emoties worden hier niet gezien als uitingen van een gebrek aan controle op de innerlijke huishouding, maar als duidelijke ‘inschattingen en waardeoordelen’ over dingen en personen die van waarde worden bevonden, maar die men niet zelf kan beheersen. Hier duikt meteen weer een tragisch element op: emoties doen zich voor door iets van buiten waar men geen controle over heeft. Men is er aan overgeleverd.

Hoe impulsief emoties ook zijn, Nussbaum heeft het over ‘cognitieve emoties’, want ze bevatten kennis, ze vertellen iets. De bron van de emotie heeft iets gehoord, gezien of gevoeld en een inschatting gemaakt, een oordeel gevormd, met als gevolg de emotie van vreugde, woede of teleurstelling. Emoties zijn echter niet boven kritiek verheven.

De in de populaire cultuur veelgehoorde echtheid en authenticiteit van emoties is allerminst gegarandeerd. Ze zijn niet altijd betrouwbaar; ze kunnen een foute inschatting hebben gemaakt. Er moet dus over emoties blijven worden nagedacht. Het werkelijke leven van emoties speelt zich voor Nussbaum af in de literatuur. Daar worden ze, bijvoorbeeld door Marcel Proust, Henry James en James Joyce, in al hun veelzijdigheid, glorie en grilligheid beschreven.

De grote betekenis die Nussbaum aan emoties toekent, zorgt ervoor dat ze min of meer afscheid heeft moeten nemen van een filosofische school waarvoor ze in ander verband grote bewondering heeft: de Stoïcijnen. Zij wilden zo min mogelijk emoties toelaten. Je moet boven emoties staan: ze vertroebelen je inzichten en oordelen, ze brengen je uit je evenwicht en ze slokken je volledig op. Nussbaum noemt zichzelf een neo-Stoïcijn omdat zij de emoties een ruime plaats geeft in het leven en bovendien nadenkt over plaats en belang van emoties voor de ethiek, esthetiek, praktische rede en het politieke denken. Emoties laten zien wat van belang voor je is in het leven. Ze zorgen voor het reliëf op de landkaart van het bestaan. ‘Emoties zijn niet louter brandstof voor het psychische mechanisme van een redenerend wezen, maar uitermate complexe, bijzonder verwarde onderdelen van dat redeneren zelf.’

Paternalisme

Het valt niet te ontkennen dat Nussbaums werk de laatste tien jaar een verandering heeft ondergaan. De literatuur, de filosofie en de emoties zijn enigszins op de achtergrond geraakt omdat ze zich steeds meer is gaan verdiepen in grote, algemene maatschappelijke problemen. De twinkeling van het significante detail, het bijzondere verhaal, heeft in boeken als Cultivating Humanity, Mogelijkheden scheppen, Grensgebieden van het recht en Niet voor de winst (over de betekenis van de geesteswetenschappen voor de democratie), plaatsgemaakt voor ambtelijke rapportentaal en politieke correctheid. Het idealisme en de liefde voor de mensheid waarmee ze als student kennismaakte, heeft de vorm gekregen van een zeker paternalisme.

Om het leven op een volgens haar held Aristoteles goede manier te leven, moeten we allemaal denkende burgers worden. Het Socratische leven, dat volgens Socrates niets waard is als het niet is onderzocht, wordt nu bijna een verplichting. Nussbaums pluralisme en inzicht in de literatuur, waarin zo vaak dwarse, eigenzinnige, niet aan de verwachtingen voldoende personages te vinden zijn, is veranderd in de eis een volwaardig burger te zijn.

Nussbaum eist dat je je aan de grote principes houdt. In haar boek De nieuwe religieuze intolerantie verwijt ze iedereen egoïsme: ‘We hebben de verderfelijke neiging ons blikveld te vernauwen en het steeds meer op ons enorm belangrijke zelf te richten. Om deze neiging tegen te gaan, dienen wij allen allereerst onze keuzes te onderzoeken om te zien of die niet egoïstisch zijn en of we onszelf niet tot een bevoorrecht geval maken. En al evenzeer hebben we behoefte aan de innerlijke bezieling waardoor ons streven naar consequentie geïnspireerd dient te zijn, wil het geen lege huls blijven: we hebben dus behoefte aan een geest van nieuwsgierigheid en vriendschap.’ Door het gebruik van woorden als ‘verderfelijk’, ‘egoïstisch’, het gebiedende ‘dient’ en de eis tot ‘vriendschap’ is het alsof hier een oude Chinese partijbons aan het woord is. We worden vriendelijk maar dwingend verzocht ons van ‘innerlijke bezieling’ te voorzien.

Echt barbaars gedrag

Ook in het verleden zag Nussbaum de literatuur iets te veel als een wereld waarin weliswaar veel tragiek huisde, maar waarin pure slechtheid niet voorkwam. Het werk van de schrijvers van haar voorkeur, zoals Proust, Henry James, John Steinbeck of Ralph Ellison, zit vol psychologische en sociale conflicten, maar echt barbaars gedrag komt er nauwelijks in voor. Nussbaum houdt van literatuur die ze sociaal constructief kan gebruiken, niet van literatuur waarin ‘onleefbare werelden’ voorkomen, zoals Arnold Heumakers de hersenspinsels van niet politiek correcte geesten noemde. Literatuur kan natuurlijk de ‘morele sensibiliteit’ van de lezer bevorderen, zoals Nussbaum graag ziet, maar elke eis die iemand aan de literatuur stelt vanuit een maatschappelijk of politiek oogmerk, hoe nobel ook, laadt de verdenking op zich de literatuur ergens voor te willen gebruiken.

Toch vaak gelijk

Het is bekend dat Socrates de horzel wilde zijn die het slapende paard van de democratie wakker schudde. Nussbaum beveelt deze Socrates (die ze op andere plaatsen helemaal niet zo hoog heeft zitten) aan als voorbeeld voor iedereen die het goed voor heeft met de democratie. We moeten ons de ‘socratische pedagogiek’ eigen maken, schrijft ze in Niet voor de winst. Dat is een pedagogiek van streng en kritisch argumenteren, van principes respecteren. Daarbij moeten we niet het economisch belang voor ogen houden als criterium, maar het menselijk welbevinden, het goed geleefde leven, dat geen egoïstisch leven is.

Het beeld van Socrates als de kritische horzel blijft natuurlijk aantrekkelijk, maar ik betwijfel of die kritische instelling tot een heus pedagogisch model moet worden verheven, tot ‘socratische pedagogiek’. Nussbaum houdt van duwtjes. Om consequent het goede te doen, hebben mensen volgens Nussbaum altijd een duwtje nodig.

Toch werpt die socratische methode van consequent vragen en argumenteren zijn vruchten af. In De nieuwe religieuze intolerantie, het boek over de ‘politisering van de angst’ voor de islam, weet ze overtuigend en gedocumenteerd aan te tonen dat irrationele vooroordelen de rechten van religieuze minderheden negeren. Het boek staat bol van de rooskleurige politieke correctheid (dat vooroordelen slecht zijn, dat alle mensen gelijk zijn, dat de mensenrechten moeten worden gerespecteerd, dat ieder mens een doel in zichzelf is, dat ieder zijn eigen denkbeelden moet kunnen hebben), maar dat wil niet zeggen dat Nussbaum toch niet vaak gelijk heeft. Uit angst voor ‘de’ islam wordt de halve wereld nu dagelijks gefouilleerd, afgeluisterd en gewantrouwd. Overal hangen camera’s en wordt in computers gekeken. ‘Onze tijd is werkelijk gevaarlijk’, schrijft Nussbaum, maar dat wil niet zeggen dat we onze rechten en principes moeten opgeven.

In Love’s Knowledge, haar boek over literatuur en filosofie uit 1990, schrijft Nussbaum dat literatuur zo belangrijk is omdat je daarin kunt zien hoe complex alles is. En dat het leven, zoals in de literatuur, draait om de ‘particulars’, om afzonderlijke personen, om de bijzonderheden en de uitzonderingen. Dit in uitzonderingen denken is in Nussbaums werk van de laatste tien jaar wat op de achtergrond geraakt ten behoeve van haar algemene ideeën over menselijke ontplooiing en ontwikkeling. Ze leest niet meer zoals ooit haar voorbeeld David Copperfield. Die las of zijn leven ervan af hing (‘as if for life’), zodat hij al zijn angsten, hoop en verwarringen erin kon spiegelen. Nuss­baum leest nu ten behoeve van de mensheid.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*