Deel 5

Mensenvlees

Carmen was vroeg vanmorgen. Ze stond om half tien, met de krant in haar hand, op de stoep.

“Tijd voor koffie?”
“Tuurlijk, kom verder. Vertel nog even over de cursus waar je laatst was. Ben benieuwd wat er met die Fred aan de hand was en..”

“Ja ach, het verhaal van Fred heeft eigenlijk het meeste indruk op me gemaakt. Hij was destijds als vrijwillig brandweerman betrokken bij de ontknoping van de treinkaping in Wijster. Daar heeft hij vreselijke dingen gezien en er een enorm trauma aan overgehouden. Zijn wereld werd steeds kleiner en op een goed moment durfde hij de deur niet meer uit, kon hij niet meer slapen, werd hij werkeloos en uiteindelijk ook dakloos. Hij raakte verslaafd aan aan de drank en nadat zijn dochter hem gezegd had dat ze geen contact meer met hem wilde hebben, deed hij een poging om een eind te maken aan zijn leven.
Hij werd gered en vervolgens maandenlang opgenomen in een psychiatrische kliniek. Hij kickte af en kreeg, toen hij weer naar huis mocht, nog enkele jaren psychotherapie maar het mocht allemaal niet echt baten. De antidepressiva hielden hem op de been maar daar was dan ook alles mee gezegd. Zijn laatste hoop op een beter leven had hij op deze cursus gevestigd. Uiteindelijk geloof ik dat hij er wel wat aan gehad heeft, dat hoop ik tenminste.”

“En heeft de cursus jou nog wat gebracht?”
Carmen zucht: “Nou, niet echt eigenlijk. Het hoogtepunt van de week vond ik de crea-middag. Ik had een bruidstaart gekleid. Mocht geen echte taart bakken, dat vonden ze te omslachtig. Niet te geloven hè? Dus heb ik er maar een van klei gemaakt. Toen hij klaar was, heb ik de bruid en bruidegom ondersteboven in de taart gedrukt, vond ik zelf wel geestig. Mieke niet, zij vond het tekenend voor voor mijn instelling die week. De eerstvolgende groepssessie was ik dus zwaar aan de beurt. Ze heeft me een uur lang doorgezaagd. Ik kon er niets aan doen maar ik kreeg de slappe lach en uiteindelijk heeft ze me, vriendelijk doch dringend, verzocht het lokaal te verlaten. Enfin, het was me het weekje wel. Dit heb ik Robert natuurlijk allemaal niet verteld. Ik heb hem gezegd dat het een fantastische en vooral zeer leerzame week voor me is geweest.”

Toen Carmen weg was moest ik terug denken aan een verhaal dat mijn moeder me ooit vertelde over een eveneens zonderlinge, getraumatiseerde man bij ons uit het dorp, Simon Wiebinga. Hij had in een jappenkamp gezeten en daar een trauma aan overgehouden. De enkele keer dat hij zijn huis verliet, liep hij gehaast, zijn hoofd verstopt in zijn kraag, alsof hij voortdurend door iemand op de hielen gezeten werd. Zijn vrouw Annie, een circuskind, leed aan grootheidswaanzin en zei tegen wie het maar horen wilde, dat ze van koninklijken bloede was.

Nu had mijn moeder een vriendin, Marjan, die op zekere dag ons liefelijke dorpje aan zee verruilde voor de duistere bossen van het Gooi. Haar man had een bedrijfje en de zaken liepen goed. Het Gooi lag zakelijk gezien gunstiger en daarom vertrokken ze. Een jaar of drie later keerde Marjan, gescheiden en berooid terug naar ons dorp. Ze kreeg van de gemeente het huis naast Simon Wiebinga toegewezen. Hij was inmiddels alleen, zijn vrouw was overleden en zijn dochter studeerde en woonde op kamers in de stad.

Marjan was een mooie vrouw en Wiebinga gluurde graag naar haar, door de kieren in de schutting, wanneer zij de was ophing. Op een ochtend trok hij de stoute schoenen aan en vroeg zijn nieuwe buurvrouw op de koffie: “Zou u misschien volgende week vrijdagavond een kopje koffie bij me willen komen drinken?”
Marjan vond het zielig om hem af te wijzen en nam de uitnodiging aan.

Die week was Wiebinga druk doende om zijn huis op te ruimen en schoon te maken.
Op de bewuste vrijdag stond Marjan al vroeg in de ochtend buiten met de was. De eerste knijper zat net op de lijn, toen ze het hoofd van Wiebinga boven de schutting uit zag komen.
“Morge buurvrouw. Ik ben er klaar voor hoor,” zei hij opgewekt.
“Mijn huis is schoon en ik heb zelfs de gebakjes vast op tafel gezet.”
Marjan zag onmiddellijk voor zich hoe het schurftige hondje van Wiebinga al kwijlend rondjes om de tafel met gebakjes liep. Het arme beestje leed volgens zijn baas aan een zeldzame huidziekte en zat van top tot teen onder de schilfers.
“Ach wat aardig meneer Wiebinga.” zei ze.
“Ja, ik zie er echt naar uit. Het is al zo lang geleden dat er iemand bij me over de vloer kwam. Sinds het overlijden van mijn vrouw heb ik helemáál niemand meer gezien. Het ging slecht met me, mijn verleden speelde weer op en tot een week of twee geleden leed ik aan een vreselijke, verlammende angst. Ik was ontzettend bang dat ik op een goede dag trek zou krijgen in mensenvlees. Het was zo erg dat ik mijn huis niet uitkwam en zelfs de post niet meer van de postbode durfde aan te pakken.“
“In mensenvlees?” vroeg Marjan met overslaande stem.
“Ja, in mensenvlees. Ik heb het uiteindelijk aan mijn dochter verteld en zij heeft meteen een afspraak voor me gemaakt bij dokter Huizer. Kent u hem? Dokter Huizer? Het is de beste huisarts die er is. Jammer dat hij over een maand met pensioen gaat. Hij heeft me zo goed geholpen.”
“Hoe dan als ik vragen mag? Heeft hij u een pilletje gegeven of een prik misschien?”
“Welnee, niks van dat alles. Ik vertelde dokter Huizer waar ik zo bang voor was. Hij keek me over zijn bril heen aan en zei: “Nou Wiebinga, man, als je trek krijgt in mensenvlees dan vreet je er toch gewoon een paar op! Er lopen genoeg kloothommels rond op deze aarde, dus wat let je? Daarna begon de dokter onbedaarlijk te lachen. Dat duurde best lang, zo lang dat ik op een gegeven moment met hem mee ben gaan lachen. We gierden het uit, de tranen rolden over onze wangen en toen we klaar waren voelde ik me zo opgelucht, alsof ik herboren was. Nadien heb ik nergens meer last van gehad. Ik slaap weer goed en heb zelfs niet meer aan mensenvlees gedacht.”
“Nou, heel fijn buurman, ik ben blij dat dokter Huizer u zo goed geholpen heeft maar ik moet nu echt gaan.”
“Goed hoor buurvrouw, ik zie u vanavond.”

Marjan rende met de volle wasmand terug naar binnen, viel en brak een been. Een geluk bij een ongeluk, vond ze zelf. Ze moest geopereerd worden en hoefde die avond godzijdank niet bij haar buurman op de koffie.

Hoe het ze verder is vergaan weet ik niet precies maar Marjan leeft nog en is dus niet opgegeten door Wiebinga, die onlangs op tachtig-jarige leeftijd overleed en nu veilig, naast zijn vrouw, in de duinen begraven ligt.

“Het kan verkeren.”

Wordt vervolgd

Door Anne-Rose Schwencke

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*